Hoogbegaafdheid bij kinderen

 

Over hoogbegaafdheid bij kinderen is zoveel op internet te vinden, dat hier enkel ingegaan wordt op enkele van de visies op hoogbegaafdheid en hoe je een (hoogbegaafd) kind gemotiveerd krijgt/houdt voor zijn leerproces.

 

 

Wanneer is een kind hoogbegaafd?

 

Er zijn op vele sites een lijst te vinden die kenmerken van hoogbegaafde kinderen opsomt.

 

Volgens de Dikke Van Dale is iemand intelligent als hij of zij over een hoog verstandelijk vermogen beschikt.

En een 'begaafd' iemand is talentvol. Hoogbegaafd wordt als 'meer dan normaal verstandelijk begaafd' aangegeven. Begaafdheid is dus meer dan intelligentie. Toch wordt vaak gekeken naar het iq als men het heeft over hoogbegaafdheid.

 

Kijkend naar het iq

 

De score op een intelligentietest wordt uitgedrukt in een waarde, de intelligentiequotient. Meestal maken de kinderen de WISC om die te laten berekenen.

 

Met behulp van de normaalverdeling van de gemeten iq's is het mogelijk om een indicatie te geven van het percentage leerlingen waar het om gaat (Gagné, 1998). Een kind is:

 

- meerbegaafd- iq tussen de 120 en 130: 7,6% van de kinderen

 

- hoogbegaafd- iq tussen de 130 en 145 : 2,3% van de kinderen

 

- zeer begaafd- iq boven de 145: 0,1% van de leerlingen

 

 

Kijkend naar meer dan het iq

 

Er zijn steeds meer alternatieven of aanvullingen op de iq-test ontwikkeld om iets te kunnen zeggen over iemands intelligentie in bredere zin.

 

Begrippen zoals excellentie en talentontwikkeling worden onder andere door beleidsmakers binnen het Ministerie van OCW gebruikt. Het idee dat het om meer gaat dan alleen de cognitieve ontwikkeling van intelligente leerlingen wordt hiermee ondersteund.

 

Om te illustreren welke kenmerken de hoogbegaafde tot hoogbegaafde maakt, wordt vaak gebruikt gemaakt van het triadisch interdependentiemodel van Renzulli.

De meerwaarde van dit model is, dat het niet alleen de buitengewone capaciteiten waarmee een kind wordt geboren als basis van hoogbegaafdheid ziet, maar ook de motivatie en creativiteit waarmee het kind die capaciteiten benut. Daarnaast spelen omgevingsfactoren een grote rol. De overtuiging luidt dat school, vrienden en het gezin belemmerend, danwel stimulerend kunnen werken.

 

Monks en Ypenburg voegden deze drie toe aan het model van Renzulli en kwamen tot de volgende visualisatie van hoogbegaafdheid:

Het belang van samenwerken met ontwikkelingsgelijken

 

Voor samenwerking zijn sociale eigenschappen nodig. Deze zijn niet altijd leeftijdssynchroon aanwezig. Het zou kunnen dat sommige leerlingen nog niet de gelegenheid hebben gehad deze te ontwikkelen.

Let wel: met gemiddeld een of twee hoogbegaafden in een reguliere klas, worden hoogbegaafden al snel specialist in het delegeren en/of het naar zich toe trekken van de volledige taak. Er zal toch een product moeten worden ingeleverd.

Een belangrijke stimulerende factor is dan ook het samenwerken met ontwikkelingsgelijken. Omdat niet alle gebieden gelijk ontwikkeld zullen zijn, biedt dit de kans om te sparren met een meerwetende leeftijdgenoot. Deze wederzijdse uitdaging zorgt ervoor dat er meer van elkaar geleerd wordt dan enkel de stof.

 

In het Phi Science Lab werken ontwikkelingsgelijken gedurende drie uur samen en individueel aan uitdagende activiteiten.

 

 

 

 

 

 

Hoe blijft een (hoogbegaafd) kind gemotiveerd om te leren?

 

 

 

Motiveren in opvoeding en onderwijs

 

In het onderwijs is helaas nog vaak het proces ondergeschikt aan het resultaat.

Dat is een valkuil. Want als het proces ondergeschikt is aan het resultaat, devalueert tegelijkertijd de moeite die ergens voor is gedaan. Dat werkt demotiverend.

Iemand die hier veel onderzoek naar heeft gedaan is Carol Dweck. In haar boek Mindset zet zij de voordelen van een Growth Mindset ten opzichte van een Fixed Mindset. Zij promoot onder meer het idee van belonen van inzet. Bij kinderen die beloond worden voor hun inzet, wordt de groei-mindset beloond. Zij hebben de neiging om meer ingewikkelde opdrachten aan te gaan. Uit onderstaand filmpje:

"Ze voelen zich slim als ze hard werken aan iets moeilijks en er beter in worden."

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onderpresteren

 

Structureel en continu niet uitgedaagd worden om volledige capaciteiten in te zetten – ergens moeite voor te moeten doen – is een van de oorzaken die kunnen leiden tot onderpresteren.

 

Volgens Van Houten (Pedagogisch quotient en intelligentiequotient, 2009) sluit het onderwijs niet aan, omdat deze leerlingen moeite zouden kunnen hebben om zich aan te passen aan het tempo van wat er in de klas gebeurt. Kinderen kunnen verveeld raken en uitdaging missen. "Doordat deze leerlingen geen uitdaging zien, zou het kunnen zijn dat ze niet geconcentreerd kunnen werken, waardoor ze vervolgens weer minder gemotiveerd raken. Ook de sociale aanpassing verloopt niet altijd soepel."

 

Het aandeel onderpresterenden onder hoogbegaafden is schokkend groot:

 

"Afhankelijk van de gekozen vergelijkingsmaat en leerjaar varieert het percentage onderpresteerders over alle leerlingen heen van 10 tot 18%. Het aandeel hoogbegaafden dat onder het eigen niveau presteert varieert van ongeveer 30% bij leerlingen met een IQ rond de 130 tot ongeveer 60% bij leerlingen met een beduidend hoger IQ (Onderwijsraad, 2007)."

Bron: Doolaard en Oudbier. 'Onderwijs aan (hoogbegaafde) leerlingen in het basisonderwijs' (2010) Rijksuniversiteit Groningen.

 

 

 

De iq-testuitslag als informatiebron

 

Er bestaat een kans dat een onderpresterende - die ontwend is het maximale uit zichzelf te halen - onder zijn kunnen presteert op een iq-test. De vraag is hoe betrouwbaar het resultaat dan is.

Dit is de reden dat Phi een uitslag van een iq-test niet als toelatingscriterium hanteert, eerder als informatiebron.

 

 

Marsha Tap 2013 * kvk 55426859 * Algemene Voorwaarden